Zolang
Amerika in de wereld steeds minder te vertellen heeft, zullen Europese leiders staatsmanschap voor het Westen
als geheel aan de dag moeten
leggen, betoogt
De macht
van Amerika is zo lang zo overweldigend groot geweest dat velen
denken dat ook het presidentschap
van George W. Bush daaraan geen
afbreuk kan doen. Hoe onjuist die gedachte is, blijkt uit mensen als
Vladimir Poetin van Rusland,
Hugo Chávez van Venezuela, Mahmoud Ahmadinejad van
Iran en Robert Mugabe van Zimbabwe, die munt slaan uit Amerika’s
geslonken invloed en aanzien.
Dat is geen
reden tot leedvermaak, integendeel, het is hoog tijd dat
vrienden van de Verenigde
Staten, speciaal in Europa,
zich realiseren dat de zwakte van Amerika ook hún
internationale invloed ondermijnt.
De bewijzen
voor de zwakte van Amerika liggen voor het oprapen.
Toen de Amerikaanse macht op zijn hoogtepunt
was, had Rusland zich erbij neergelegd dat er kennelijk
niets aan te doen viel dat de NAVO geleidelijk de voormalige invloedssfeer van de Sovjet-Unie binnendrong. President Poetin gedoogde Amerikaanse bases in Centraal-Azië om
de campagne tegen de Talibaan in Afghanistan te ondersteunen en maakte geen ernstig bezwaar
toen de Verenigde Staten het antiraketraketverdrag, dat een verdedigingslinie
van strategische raketten verbood, in de prullenmand gooiden. Amerika, dat erop gebrand
was zowel Oekraďne als Georgië
in te lijven bij de NAVO voelde zich niet geroepen
om de Russische gevoelens te ontzien,
omdat het er zeker van was dat het Kremlin zich wel moest
neerleggen bij het onvermijdelijke.
Dat was gisteren.
Vandaag probeert Poetin de invloed die Rusland de afgelopen jaren is kwijtgeraakt, te heroveren.
Met vaardige hand speelt hij in heel Europa in op anti-Amerikaanse gevoelens, en zet intussen de Baltische landen onder druk – een
duidelijk signaal dat de NAVO niet verder moet worden
uitgebreid. In Oekraďne hebben de politieke krachten die zich verzetten tegen nauwere banden met het Westen, terrein
gewonnen. Ook schetst het Kremlin een overtrokken beeld van de voorgenomen vestiging van een bescheiden Amerikaanse raketafweerinstallatie in Polen
en Tsjechië, die de Russische
veiligheidsbelangen zou aantasten.
Of neem
Iran, nóg een mogendheid die profiteert van Amerika’s zwakte. Nog maar een
paar jaar geleden leek de Iraanse regering voldoende onder de indruk van de Verenigde Staten te zijn om schoorvoetend
toe te werken naar een overeenkomst
over zijn nucleaire programma die zijn verrijkingsactiviteiten zou hebben opgeschort of zelfs beëindigd.
Er was sprake
van mogelijke bilaterale contacten met de Verenigde
Staten, die bij welslagen een einde zouden
hebben gemaakt aan bijna dertig
jaar vijandige betrekkingen. Vandaag zet Iran zijn verrijkingsprogramma
door, ondanks de waarschuwing
van de Veiligheidsraad van de Verenigde
Naties dat nieuwe sancties dreigen; ook drijven
Iraanse functionarissen openlijk de spot met de militaire
actie waarmee Amerika dreigt.
Al deze
voorbeelden komen op hetzelfde neer: Amerika heeft in de wereld steeds minder te
vertellen. De regering-Bush
staat internationaal te kijk om de arrogantie van haar opvattingen en de beperkingen van haar macht. Ze mist steun in het binnenland
en respect in het buitenland.
Sinds de Verenigde
Staten tijdens de Tweede Wereldoorlog de machtigste mogendheid van de wereld werden, is zo’n achteruitgang van hun internationale invloed
nog niet eerder vertoond. Zelfs tijdens de oorlog in Vietnam, die werd gevolgd door de vernederende terugtrekking uit Zuidoost-Azië, is nooit serieus betwijfeld dat Amerika de Koude Oorlog – op dat moment dé grote strategische opgave – moreel en materieel aankon.
Maar in de huidige
wereld, waar alles met elkaar samenhangt, is invloed niet meer
de som van het aantal kernkoppen, maar de bekwaamheid van een land om anderen
te winnen voor beleid dat
het noodzakelijk acht voor zijn
essentiële belangen. Het Amerika van Bush heeft die invloed verspeeld – in het Midden-Oosten, in Azië en Afrika, en in grote
delen van Europa.
Velen in de Verenigde
Staten houden het er het liefst
op dat dit een tijdelijke toestand is, waar een einde aan
zal komen zodra in 2008 een nieuwe president en Congres gekozen worden.
Maar zij beseffen enerzijds niet voldoende hoe groot de aangerichte schade is en hebben anderzijds geen realistische kijk op de kansen van Bush’ mogelijke opvolgers – van wie er velen zijn wilde ondernemingen aanvankelijk hebben gesteund – om het vertrouwen en het respect dat hun land vroeger genoot, te herstellen.
Om dat te bereiken zal er meer nodig zijn dan een nieuw gezicht in het Witte Huis. Het zal jarenlang hard werken vergen om Amerika’s middelen en behoeften weer met elkaar in overeenstemming te brengen en om voor elkaar te krijgen dat zijn initiatieven wederom worden opgevat als steun aan een rechtvaardige internationale orde, in plaats van alleen aan een bekrompen Amerikaanse kijk op de wereld.
Aanhoudende zwakte van de Verenigde Staten betekent ook verzwakking van Europa. Toen de Amerikaanse superioriteit op haar hoogtepunt was, profiteerden de Europese regeringen dubbel: ze behoorden tot het machtige Westen, én andere landen dongen naar hun gunsten als mogelijk tegenwicht tegen de Amerikaanse overheersing. Als zij al eens van de Amerikaanse standpunten afweken, tastte dat de strategische doelmatigheid van het Westen niet merkbaar aan, want de macht van Amerika bood meer dan voldoende compensatie.
Die vlieger gaat niet meer op. Als Europese regeringen zich nu distantiëren van Amerika – zoals hun onderdanen dikwijls eisen – jagen zij de Verenigde Staten tegen zich in het harnas én tasten zij de VS verder aan. Tegelijkertijd ondermijnen zij daarmee hun eigen internationale invloed en bieden zij anderen de mogelijkheid om Europa uit te spelen tegen Amerika, waarmee ze tevens de schamele kans verspelen om met een hervormd Amerika het Westen weer op poten te zetten.
Daarom dienen Europese leiders, ook wanneer zij niet gelukkig zijn met de standpunten van de Verenigde Staten, krachtige steun aan de transatlantische belangengemeenschap te combineren met een discrete maar resolute boodschap aan Washington dat die gemeenschap niet tot het uiterste op de proef mag worden gesteld.
Of zij die lastige manoeuvre met succes kunnen volvoeren, staat nog te bezien. Gelukkig begrijpen Angela Merkel, Nicolas Sarkozy en Gordon Brown wat er op het spel staat, en lijken sommigen binnen de regering-Bush zich bewust te zijn van het probleem. Zolang Amerika zwak is, zullen Europese leiders staatsmanschap voor het Westen als geheel aan de dag moeten leggen. Op die rol hebben tientallen jaren van Amerikaanse suprematie hen amper voorbereid.